Op en om het water

‘Van krantenjongen tot miljonair, dat kon in de middeleeuwen in Kampen’

  • 8 minuten leestijd
  • 127 x bekeken

KAMPEN – “Het succes van de kogge is begonnen in de keuken van de middeleeuwse huisvrouw.” Het verklaart nog niet de welvaart van Kampen in die tijd, maar volgens Kees Hardeman (72) begint het wel daar, in die keukens.


Even een situatieschets. Het interview met Kees Hardeman heeft plaats in de taveerne op de koggewerf in Kampen. Kees is vrijwilliger bij de Kamper Kogge, weet alles van de geschiedenis en heeft een stem als schuurpapier p60. Bedenk hier een karakteristieke kop, een wollen muts en een sigaar bij. Het is tien uur in de ochtend en voor Kees op tafel staat een ‘pousse café’. Zoek maar op. Dat is weggelegd voor de vrije jongens. En past perfect in het verhaal over het economische succes van Kampen in de koggetijd.

Behoefte maakt handel
Eerst even over die huisvrouwen. “Zij hadden eigenlijk twee problemen: hoe krijg ik de magen van mijn gezin gevuld en hoe houd ik voedsel houdbaar?” Deze problemen ontstaan in de middeleeuwen doordat de bevolking in de lage landen groeit en bijvoorbeeld graan (basisvoedsel nummer één) van verder moet komen om iedereen te kunnen voeden. De kogge blijkt de ideale manier om graan uit de Baltische landen rond de Oostzee te halen. Voor het zouten, suikeren of in azijn bewaren van voedsel trekken de kogges richting Frankrijk, Spanje en Portugal. “Een kogge kon zeventig keer meer goederen vervoeren dan een paard en wagen, was sneller en minder gevaarlijk in wetteloze gebieden als de Veluwe, Salland of Twente, waar het roversgilde welig tierde. En de kogge was het eerste zeevaardige schip dat om Denemarken kon varen of de Golf van Biskaje kon trotseren”, weet Kees.

Met dank aan de vikingen
Er is dus een behoefte, er zijn kogges en Kampen ligt geografisch perfect aan de monding van de IJssel met de Zuiderzee. En er is nog een reden waardoor juist Kampen op een golf van handel en welvaart terecht komt. “Het is een theorie, maar wel een veel geaccepteerde”, steekt Kees weer van wal. “Rond 1150 waren er veel overstromingen in Friesland, waardoor veel Friezen verhuisden en zich rond de monding van de IJssel vestigden. Het mooie aan de Friezen was dat ze stamverwanten waren van de vikingen en kennis hadden van zeeroutes. Handig, want van die kennis profiteerde Kampen weer.” Nog een ingrediënt voor het economische succes van Kampen.


Kees Hardeman
Kees Hardeman

Kees Hardeman komt van oorsprong uit Veenendaal. Na de theaterschool in Amsterdam wordt Kees acteur en regisseur. Weer jaren later komt Kees als docent op de Academie voor Expressie door Woord en Gebaar uit. Na zijn pensioen wordt hij gevraagd rondleidingen te geven op de koggewerf. Nu leidt hij nog steeds mensen rond, maakt theaterstukken over de kogge en geeft lezingen.


Vreemdelingen welkom
We schrijven 1200. Het zaadje voor succes is geplant, maar nu moet Kampen nog tot bloei komen. En hoe de stad dat doet in die tijd is absoluut slim, ondernemend en flink brutaal te noemen. Kees neemt een slok van zijn ‘pousse café’. “In de eerste plaats hadden ze varensgezellen nodig. Matrozen dus. Die haalden ze uit Salland, Twente, Drenthe en van de Veluwe. Alleen was er wel één probleem. De plattelandsbevolking bestond uit horigen en die waren niet vrij. De landheren beschikten over lijf en goed van hun onderdanen”, omschrijft Kees het. “In die gebieden gold het Germaanse erfrecht. De oudste zoon kreeg de gehele erfenis, dus zaten de andere zonen zonder perspectief. Daar kwamen de matrozen dus vandaan. Want heel simpel, als matroos verdiende je meer dan op het land.” Kampen heeft een stelregel voor deze vreemdelingen. “Als je een jaar lang in je eigen onderhoud kon voorzien in een eerbaar beroep, dan werd je een zogeheten ‘poorter’. Met andere woorden; dan werd je Kampenaar. Geen landheer kon je dan terughalen, want je was vrij man.”

Kampenaar worden
De makkelijkste manier om vrij man te worden is door een seizoen op de kogge mee te varen. Rond februari naar Spanje voor zout, olie en spijs, dan door naar het Vlaamse Brugge of het Engelse King’s Lynn voor de jaarmarkten en wol of ander textiel. In de zomer gaat het naar Zweden voor zoute vis. Begin november zijn ze weer terug. “Zo’n klassieke reis zag men als een jaar waarin je in je eigen onderhoud had voorzien met een eerbaar beroep. Daarna konden ze een aanvraag indienen om poorter van de stad te worden. Geen andere stad in de Hanze had dit op deze manier geregeld.”

Niet alles naar hoeren of kastelein brengen
Kampen moedigt ondernemerschap aan. “Als matrozen in de paar maanden dat ze aan wal waren niet al hun geld naar de hoeren of de kastelein brachten, hielden ze aardig wat over en met dat geld konden ze ruimte huren op de schepen.” Kees noemt een voorbeeld. “Stel, je buurman had tweehonderd paar schoenen gemaakt en die gaf-ie aan de matroos mee in concessie. In Scandinavië konden ze door de kou en nattigheid goede schoenen prima gebruiken, dat was goede handel. En eenmaal terug kon de schoenenlapper worden betaald. Pluspunt daarbij was ook dat de kogges niet van reders waren, maar van bijvoorbeeld een aantal matrozen in het collectief.” Kampen maakt het dus aantrekkelijk om te ondernemen. “Van krantenjongen tot miljonair. Dat kon in de middeleeuwen in Kampen”, is Hardeman stellig.

Kampen
Kampen

Voor niemand bang
Slim en ondernemend is bewezen, nu het brutale. Weer kan Kees zijn trots op de Kampenaren van toen niet onderdrukken. “Je had de Hanzeraad. Zeg maar de hoogste raad waarin elke Hanzestad een zetel had. In die tijd had het Noord-Duitse Lübeck de grootste zetel. Er was ook een stoel voor Kampen, maar Kampen was geen lid. Ze waren wel bij de vergaderingen, maar alleen als het ze uitkwam deden ze mee. Anders verklaarden ze zich gewoon onafhankelijk. Dat gedrag konden ze zich permitteren, omdat ze enorm machtig waren.” Kees verschuift nog eens en steekt een sigaartje op. Hij vertelt over de oorlog tussen Engeland en Frankrijk. Ergens rond 1360. Vlaanderen is betwist gebied. De Hanze komt in oorlog met Engeland. En omdat in Brugge veel Engelse wol wordt verhandeld, wordt de Vlaamse stad geboycot door de Hanze. In de Westerschelde wordt een blokkade opgeworpen. “Maar het is bekend dat een aantal Kamper kogges door de blokkade heen breekt en zich niks aantrekt van de Hanze. Ze lappen de Hanze aan hun laars.” Kees geniet zichtbaar.

Onbetwist de machtigste
Om de macht van Kampen in de koggetijd te illustreren, noemt Kees de oorlogsverklaring met de koning van Denemarken rond 1360. Deze Waldemar wil de heerschappij over de Oostzee en verhoogt daarom de toltarieven als een kogge om Denemarken heen wil varen. “De Hanze schreeuwt moord en brand. Ze vergaderen er jarenlang over en komen tot een oorlogsverklaring. De Hanze bouwt een gezamenlijke vloot en leger. Het staat keurig beschreven wie wat moet leveren.” Kees somt op. “Kampen levert twee ten oorlog bemande en bewapende koggeschepen. Ook levert Kampen twee rivierschepen met honderd man bewapende voetsoldaten. De andere IJsselsteden zoals Hasselt, Zwolle, Hattem, Deventer, Doesburg, Zutphen en Arnhem leveren samen één bemande en bewapende kogge. En de Hollandse en Zeeuwse handelssteden leveren ook één bemande en bewapende kogge met nog eens honderd voetsoldaten. Dat wil dus zeggen dat Kampen net zoveel bijdroeg als de rest samen. Dat geeft wel aan hoe machtig Kampen was.”

Pure rijkdom
Dit alles speelt tussen 1200 en 1400. Kampen is rijk en machtig in deze ‘gouden eeuw’ en betaalt bijvoorbeeld het vuurlicht op Terschelling, levert de stenen voor de Brandaris. Ook de bebakening van de vaarroutes naar de Noordzee wordt door Kampen betaald. Pas vele jaren later betaalt Amsterdam mee. Op het hoogtepunt wonen in Kampen zes- tot zevenduizend mensen. Meer dan honderd kogges heeft Kampen. En de stadsmuur, het stadhuis en de kerken zijn van steen. Dat is pure rijkdom.

Opkomst en ondergang door stormvloeden Door stormvloeden rond 1100 kreeg Kampen een ideale ligging. Driehonderd jaar later zijn het de stormvloeden die de teloorgang van Kampen inluiden. De Biesbosch, de Rijn en de Maas krijgen de ruimte. Er gaat minder water door de IJssel, de stroming valt weg en de rivier verzandt. De kogges kunnen Kampen niet meer bereiken. “Ze hebben het nog een eeuw lang geprobeerd met baggeren, maar het mocht niet baten. Daarnaast werden de schepen steeds groter, dus werd Kampen helemaal gemeden. De achteruitgang gaat geleidelijk. De bevolking neemt af, veel handelaren verhuizen en Kampen kan niet meer concurreren met marktsteden als Zwolle of Zutphen, want Kampen heeft geen achterland.”

Koffie met een scheut
“De Kampenaar werd transporteur”, erkent Kees. Transporteurs zonder goede vaarwegen. Kees is realistisch. “Het waren ontwikkelingen die zich onttrekken aan menselijke invloeden. Noem het een soort onvermijdelijkheid.” Hij haalt de schouders op. Kampen wordt een provinciestadje. “De dode steden aan de Zuiderzee, schrijft een Fransman ten tijde van Napoleon over bijvoorbeeld Kampen, Enkhuizen of Medemblik.” Een rake beschrijving moet Kees concluderen. De vrije jongen van 72 neemt nog een slok van zijn ‘pousse café’. Koffie met een scheut, heet dat in Kampen.