Natuurgeheimen

Keteleiland

  • Geschreven door Brigitte Wolthuis
  • 6 minuten leestijd
  • 44 x bekeken

Heb je wel eens gehoord: ‘Ze gaan door de Ketel’, ‘Dat is achter de wal gezet’, ‘De bak om de koeien over te zetten’? En geloof het of niet, ik heb in een schommel tien meter boven het water gehangen om te gaan lunchen, ik ben in de zuigende klei weggezakt van rietoevers om kraanvogels te spotten en heb een ongekend zuivere aardse lucht opgesnoven. Maar ik zal bij het begin beginnen van mijn bezoek aan Keteleiland.

Met Jan Pol vaar ik in zijn punter pruttelend op de IJssel naar Keteleiland. Het is eind oktober, ik heb vier lagen kleren aan, hoge rubber laarzen. Een diffuus zonnetje maakt het prettig. Meteen al wijst Jan me op ijsvogels die het riet razendsnel uit vliegen. Ik zie de vogel maar in de snelheid steeds niet het giftig blauwe ruggetje met rode borst wat ik nog nooit in het echt heb gezien. ‘Geeft niks, je krijgt nog kans genoeg’, zegt Jan. Jan leert me over steenmarters, bevers, bunzingen en reetjes. Hoe de witte bladeren laten zien dat in deze boom graag een uil zit. Die witte kalkblaadjes komen door de witte uitwerpselen van de uil. Van kindsaf was Keteleiland zijn plek. Als klein jochie kampeerde hij met zijn ouders al op de open plekken in het kleine bos op het eiland. Nog steeds maakt hij vuren, vist, jaagt en onderhoudt het eiland.

Metershoog riet
Beheerder van het eiland is Anton Wezenberg, alias de Kratse, en samen met een groep vrijwilligers wordt het eiland onderhouden. Ze hebben afgelopen weekend een boom gekapt die gevaarlijk over het haventje helde. De dikke stam ligt nu in mootjes gehakt klaar voor de vele kampvuren in de winter. Jan wijst me Zegge, Cosmea en de oude boomgaard. Als hij ineens kraanvogels (ja kraanvogels!) denkt te horen moeten we het riet in. Good gracious, hoe kom ik hier door? Jan baant zich makkelijk een weg door het metershoge riet maar ik moet even handigheid krijgen en zorgen dat ik niet kniediep wegzak in die zuigende klei. Als ik merk dat ik juist op rietpollen moet gaan staan gaat het beter. Jammer, de kraanvogels houden zich schuil, in een inhammetje waarschijnlijk. Ik betreed een nieuwe wereld op een steenworp afstand van mijn huis. Een boot is nodig om er te komen en misschien helpt dat de ongekende schoonheid van het eiland zo goed te bewaren. In de verte hoor ik de geluiden van de stad maar dichtbij hoor ik wind, vogels en opeens een suizend motorgeluid. Jan ziet mij zoeken waar het geluid vandaan komt. ‘Ze gaan door de Ketel.’ Als hij ziet dat ik het niet begrijp: ‘Een binnenvaartschip vaart door het Keteldiep’.

brigitte
brigitte

De telefoon gaat. ‘Ben jij op het eiland Jan? Ik zag een rood touwtje aan de punter en dacht dat moet Jan zijn. De lunch staat zo klaar hoor.’‘We lopen nou achterop en ik heb wel de stadsdichter bij me’, zegt Jan. ‘Ook welkom.’ Een schip heeft aangelegd terwijl wij over het eiland lopen. Blijkbaar allemaal bekenden van elkaar. We maken ons rondje over het eiland af, nemen wat valappels uit de boomgaard mee en gaan richting de Spes, het schip dat heeft aanlegd en ons lunchplekje voor vanmiddag. Volgend probleem dient zich aan: hoe klim ik op dat binnenvaartschip? Moet ik over dat roeibootje kruipen en dan mezelf omhoog trekken? Nee, ineens zwiept er een schommel voor mijn neus waar ik op mag gaan zitten. En voor ik het me realiseer hang ik meters hoog in de lucht. Wat een uitzicht. Ik kijk ver over het land heen. En plop daar sta ik op het schip en maak kennis met Gerrit van der Veer en Ingela Abbing van de Spes. Ook zij zijn Keteleilandvrijwillers.

Het eiland
Het eiland is van iedereen. De Kratse, Jan Pol en de vrijwilligers voelen zich samen verantwoordelijk voor het werk en het behoud. Het maaien van de walkant, zorg voor biodiversiteit, de begrazing door koeien, het uit handen blijven van Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten. ‘Anders mogen we straks niet eens meer op het eiland.’ Als het aan Jan en de andere vrijwilligers ligt zal dat nooit gebeuren. Keteleiland is hun land. Wekelijks leggen ze aan, doen wat klusjes, plukken het afval uit het riet en branden er een vuurtje.

Heerlijke verhalen aan tafel: ‘Vroeger hadden de mensen geen geld, en als ze toch met de pont wilden oversteken (de opa van Gerrit was veerman) betaalde wel eens iemand met een postzegel. Opa van der Veer (what’s in a name) stopte tijdens het werken die postzegel onder z’n pet. Als hij thuiskwam moest oma de postzegel van zijn hoofd af weken.’

Anton
Anton

Ik vraag wat het eiland voor ze betekent. ‘Het is mijn eiland. En ook al is het eiland van iedereen, het is mijn eiland’, zegt Ingela. ‘Het is de rust, de rust van de natuur, de vrijheid, een kleine vrijstaat, de verbondenheid om met elkaar het eiland te onderhouden, de zorg voor de twee kievitsnestjes, het maaien, de boomgaard.’ ‘Ik moet de dingen doen waar ik voor bestemd ben’, zegt Jan. En zo is het. Die Jan is er een van het eilandleven, de rivier en de planten. Hij weet wat hier hoort te groeien en waarom. Hij kent de grassen die een bedreiging vormen en de planten die juist de ruimte moeten hebben. Hij vertelt me over schooiersloon, predatoren, kribbes en slibdepot.

Ik kan euforisch het eiland beschrijven, de natuur, de verre blik en het paradijselijke maar hoe maak ik nou mijn punt? Want misschien wel meer nog dan de lieflijkheid van het eiland waar de tijd stil staat ben ik gefascineerd dat dit eiland zo goed bewaard blijft zonder een berg protocollen, bordjes, havenmeesters en mitsen en maren. Ieder doet hier wat ie kan, houdt een oogje in het zeil, maait, zaagt en wandelt wat en geeft z’n menskracht aan het eiland. En het werkt. Keteleiland is een adembenemend mooi visitekaartje van Kampen.

'Brigitte Wolthuis / BEEEP'